Manuel › Procédures techniques
Placement de perfusion
Indications, choix du cathéter et du soluté, technique complète de placement d'un cathéter intraveineux périphérique.
1. Champ d'application
- Tout patient ayant manifestement besoin d'un traitement immédiat par voie IV
- Tout patient dont l'état clinique est potentiellement évolutif ou dont le diagnostic présomptif laisse penser qu'une voie d'entrée pourrait s'avérer nécessaire (principe de précaution)
2. Choix du cathéter
- KT vert (G18) si possible
- KT gris ou orange (G16 ou G14) si trauma, choc avéré ou potentiel
- Penser à la voie intra-osseuse précocement chez l'enfant, ou après 3 échecs chez l'adulte.
- Envisager deux voies si la situation présente un risque d'évolution négative
| Calibre | Couleur | Longueur |
|---|---|---|
| G 14 | orange | 51 mm |
| G 16 | gris | 51 mm |
| G 18 | vert | 51 mm |
| G 20 | rose | 51 mm |
| G 22 | bleu | 25 mm |
3. Choix du soluté
- Règle générale = 500 ml NaCl 0,9 %
- Sauf cas particuliers : voir les Ordres Permanents
4. Points d'attention
5. Procédure détaillée
Texte original en néerlandaisNL
Cette section figure en néerlandais dans le document fédéral d'origine. Elle est reproduite telle quelle.
Beschrijving
De korte IV katheter bestaat uit een schacht in polyethyleen, polyurethaan of teflon, met daarin een holle metalen geleider die aan het uiteinde een scherpe punt heeft die juist ver genoeg uit de schacht steekt. De metalen geleider eindigt in een terugstroomruimte (flashback-room) waarin bloed zichtbaar wordt bij het aanprikken van de vene. Over de katheter is een plastiek koker geschoven die de punt beschermd. Het geheel is steriel verpakt.
De diameter van de katheter wordt uitgedrukt in G. Hoe hoger het getal, hoe kleiner de diameter. De lengte wordt uitgedrukt in mm.
Bruikbare perifere venen bij volwassenen en kinderen: de venen van de bovenste ledematen en de zichtbare halsvenen. De venen van het onderbeen kunnen uitzonderlijk gebruikt worden, wanneer de andere venen niet bruikbaar zijn.
Bruikbare perifere venen bij zuigelingen: de venen van beide armen en beide onderbenen.
Waar en door wie wordt de procedure toegepast?
De procedure mag worden toegepast door de beoefenaars van de verpleegkunde zonder dat hiervoor een medisch voorschrift noodzakelijk is. Deze acte behoort tot de technische verpleegkundige verstrekking B1 « Plaatsen van een intra-veneuze katheter in een perifere vene, bloedafneming en intra-veneuze perfusie met een isotonische zoutoplossing, eventueel met gebruik van een debietregelaar » (KB 18 juni 1990).
Indicaties
- Bij elke patiënt die onmiddellijk behoefte heeft aan een behandeling via intra-veneuze weg.
- Als voorzorgsmaatregel bij een patiënt in een klinisch onstabiele toestand.
Contra-indicaties
- Geen venen aanprikken doorheen een verbrande huid.
- Geen venen aanprikken die tekenen van flebitis vertonen.
- Geen venen aanprikken waar weefseloedeem aanwezig is.
Complicaties
- Perforatie van de vene, waardoor een hematoom ontstaat of waardoor een IV product sub-cutaan terechtkomt en eventueel weefselnecrose veroorzaakt.
- Optreden van flebitis na enkele dagen, eventueel na kortere tijd, afhankelijk van het soort product dat werd ingespoten.
- Oorzaken van flebitis:
- Te grote diameter van de katheter, waardoor minder bloedstroom mogelijk is langs de katheter.
- Hoe langer de katheter, hoe meer contact met de venenwand, waardoor ontsteking van de wand ontstaat.
- Perfusievloeistoffen met osmolariteit > 600 mosm/l veroorzaken gemakkelijk ontsteking. Ook antibiotica veroorzaakt ontsteking. Deze producten worden bij voorkeur langs een centraal veneuze katheter toegediend.
- Hoe langer de IV katheter in de vene blijft, hoe meer kans op ontsteking.
Benodigdheden
- Eigenschappen van een goede IV trocart of korte IV katheter:
- De mandrijn heeft een dubbel geslepen punt en is kort.
- De terugstroomruimte op het aanzetstuk is voorzien van een luchtfilter, waardoor bij het aanprikken van de vene bloed zichtbaar wordt in het aanzetstuk.
- De schacht heeft een conische top, die de overgang naar de punt van de mandrijn vlot laat verlopen, zodat er praktisch geen weerstand gevoeld wordt bij het doorprikken van de huid.
- Er is een anti-knik in de overgang schacht naar hub.
- De trimafstand tussen de mandrijnopening en de top van de schacht is zo kort mogelijk.
- Te voorziene IV katheters bij volwassenen en kinderen: G 14 (oranje) L 51 mm, G 16 (grijs) L 51 mm, G 18 (groen) L 51 mm, G 20 (roze) L 51 mm, G 22 (blauw) L 25 mm.
- Knelband om veneuze stuwing te verkrijgen.
- Ontsmettingsstof chlorexidine 0,5 % in alcohol 70° in voorverpakte depper ofwel isobetadine oplossing.
- Perfusielijn met verlengleiding voorzien van een driewegkraan.
- Perfusievloeistof 500 ml isotone zoutoplossing of een andere vloeistof volgens toepassing staande orders.
- Tubes voor bloedafname met vacuümsysteem (minstens 1 gestold en 1 op EDTA).
- Doorzichtig zelfklevend kiemvrij verband.
- Kleefpleister.
- Schaar.
- Beschermhandschoenen.
Werkwijze
- De verpleegkundige neemt een stabiele houding aan (kniestand, zithouding, rechtstaand) waardoor de vlotte uitvoering van de handeling bevorderd wordt.
- Perfusievloeistof (laten) klaarmaken (luchtvrije lijn).
- Tubes voor bloedafname klaarleggen.
- Katheter kiezen: bij volwassenen bij voorkeur een G 18. Bij trauma en (potentiële) shock wordt indien mogelijk een G 16 of G 14 geplaatst.
- Arm vrijmaken en knelband aanbrengen om de bovenarm, polsslag moet voelbaar blijven. Eventueel een bloeddrukmeter gebruiken.
- Vene kiezen: bij voorkeur op de onderarm, eventueel op de handrug of in de elleboogplooi.
- De gekozen vene moet zichtbaar zijn, gezwollen en veerkrachtig.
- De gekozen prikplaats ligt parallel met de vene ofwel juist voor de samenvloeiing van 2 venen.
- Huid ontsmetten.
- Huid strak houden met één hand.
- Katheter subcutaan invoeren, met de punt kan de vene gevoeld worden en met een snelle beweging de katheter voldoende diep in de vene schuiven.
- De terugstroomruimte vult zich met bloed.
- De mandrijn voorzichtig 1 cm terugtrekken en de schacht doorschuiven in de vene. De mandrijn nooit terugschuiven in de schacht, de punt zou een stukje van de katheter kunnen afsnijden, dat met de bloedstroom meegevoerd wordt naar hart en longen.
- Met de vingers van een hand de aangeprikte vene stroomopwaarts dichtdrukken, mandrijn verwijderen, koppeling maken met de bloedtubes en bloedafname verrichten.
- Knelband losmaken.
- Na de bloedafname de perfusielijn aanbrengen en perfusievloeistof toedienen.
- Indien geen bloedafname werd verricht, is het noodzakelijk de perfusie eventjes lager te houden dan de patiënt om zo te controleren of er bloed terugvloeit in de perfusielijn, waardoor men zeker is dat de katheter wel degelijk in de vene zit.
- De prikplaats, de huid en de aanzetstukken van perfusielijn en katheter reinigen en ontsmetten. Een breed doorzichtig kiemvrij verband over de ontsmette zone kleven. De perfusielijn in lusvorm met kleefpleister op de huid bevestigen.
- Een debietregelaar voor eenmalig gebruik kan tussen de katheter en de perfusielijn geplaatst worden. Het debiet kan ook berekend worden wanneer men weet hoeveel druppels in 1 ml aanwezig zijn. Dit staat vermeld op de verpakking van de perfusielijn. Doorgaans bevat 1 ml = 20 druppels.
- Via de driewegkraan kan men geneesmiddelen inspuiten of een tweede perfusie toedienen.